Onlangs verscheen het Trendrapport 2015 van MVO Nederland. De discussie over MVO verschuift van ‘de dingen goed doen’ naar ‘de goede dingen doen’. De in het rapport beschreven trends zijn ook toe te passen op de zorg voor jeugd. 

Ging het MVO-beleid van bedrijven enkele jaren geleden nog vooral over liefdadigheid, het verminderen van uitstoot, overlast of schade, nu is er meer aandacht voor een positieve benadering. MVO-koplopers spreken niet meer over het verminderen van negatieve impact maar over het vergroten van positieve impact. Die verandering vertaalt zich in de razendsnelle opkomst van termen als ‘Nieuwe Business Modellen’, ‘true pricing’, ‘social enterprises’, ‘impactdenken’, ‘integrated thinking’ en ‘intrinsiek restauratieve ondernemingen’.
Niet de businesscase van MVO is het centrale vraagstuk, maar het maatschappelijk nut van de business, gekoppeld aan de kernactiviteiten van het bedrijf. Meer dan ooit tevoren worden bedrijven afgerekend op de waarde die bedrijven voor de maatschappij toevoegen, en welke bijdrage ze leveren aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Wie zich enkel nog richt op financiële winst en een ‘do no harm’-aanpak, moet zich afvragen: ben ik deel van het probleem of van de oplossing?

 

Van ‘de dingen goed doen’ naar ‘de goede dingen doen’. In de zorg voor jeugd moet deze omslag nog plaats vinden. De transitie krijgt zijn beslag, de transformatie komt langzaam op gang. ‘De goede dingen doen in de zorg voor jeugd’, wat is dat?

In de kern gaat het erom aan te sluiten bij wat er is… Dat klinkt heel simpel, maar vergt hoog sensitief vermogen.
Echt aansluiten, betekent een voortdurende oriëntatie op wie die ander is, hoe het met hem gaat en wat je voor hem kunt doen. De begrippen die daarbij horen zijn o.a. maatschappelijk ondernemen en zelforganiserend vermogen.

 

Het achterliggende gevecht is die tussen organisatiebelang en maatwerk.