Voogdijkinderen worden door gemeenten als hete broodjes heen en weer geschoven. De kosten voor goede opvang van deze ‘dure’ kinderen nemen ze liever niet voor hun rekening. Onbestaanbaar, vindt Gerard Besten van Gezinshuis.com. Met een fractie van de 1,2 miljard (jeugd)zorggelden die gemeenten volgens het CBS op de plank houden, kunnen we de vaak ernstig getraumatiseerde voogdijkinderen het perspectief bieden dat ze verdienen.

Het aantal kinderen onder voogdij stijgt: eind 2015 waren het er ruim 9.300, bijna twee keer zo veel als tien jaar geleden. Kinderen komen onder voogdij als de ouders de verzorging of opvoeding niet aankunnen of het kind ernstig verwaarlozen of mishandelen. Het kind wordt uithuisgeplaatst en gaat naar pleeggezin, gezinshuis of instelling.

Het leven van veel van deze kinderen wordt gekarakteriseerd door verlatenheid. Wanneer je ouders niet voor je kunnen zorgen, wanneer zij onveiligheid toelieten in je leven, wordt het donker van binnen. Angst en het gevoel in de steek te zijn gelaten woekeren in je ziel en sluiten je af van je omgeving. Wie dagelijks optrekt met deze kinderen, ziet het in hun ogen.

Gespecialiseerde zorg
Voor deze kinderen is gespecialiseerde zorg in een passend opvanggezin onmisbaar. De bekostiging van de zorg en opvoeding van deze kinderen is voor rekening van de gemeente waar zij wonen. Gemeentes met instellingen voor jongeren of veel gezinshuizen, waar dus opvangcapaciteit is, trekken momenteel aan de bel. Zij krijgen veel van deze ‘dure’ kinderen ‘op hun bordje’, maar ontvangen onvoldoende middelen om ze de opvang en zorg te bieden die ze nodig hebben. Voogdijkinderen worden daarom door gemeentes als hete broodjes heen en weer geschoven. Als bestuurder in de jeugdhulp kom ik dit soort onwenselijke praktijken steeds vaker tegen. Ook anderen signaleren het probleem. In oktober 2015 waarschuwde Kinderombudsman Marc Dullaert voor het doorschuiven van kinderen naar een volgend loket. En afgelopen juli was een vergelijkbaar geluid te horen van locatiedirecteur Peter Houweling van jeugdzorginstelling Horizon.

Geld op de plank
Intussen hebben gemeentes, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), vorig jaar 1,2 miljard euro ongebruikt gelaten voor jeugdzorg en zorg en ondersteuning thuis. Het geld zou nodig zijn als buffer voor komende bezuinigingen. Buitengewoon wrang, want met een klein deel daarvan kunnen we het verschil maken voor voogdijkinderen: trauma’s helpen verwerken, zorgen dat ze een netwerk opbouwen, leren participeren en entree kunnen maken naar de arbeidsmarkt.

Concreet kan dat er als volgt uitzien. Voor de 6500 voogdijkinderen kinderen die naar schatting in een pleeggezin wonen, verhogen we de jaarlijkse bijdrage van €14.000 naar €20.000 per jaar. Dat is een extra jaarlijkse investering van 6.500 x €6.000 = €39 miljoen. Die €500 euro extra per kind per maand biedt pleegouders dat beetje extra dat het verschil maakt tussen onkosten dekken en kansen mogelijk maken. Voor de 2.800 voogdijkinderen in de (zwaardere) residentiële zorg verhogen we de bijdrage met € 10.000 euro per kind per jaar, een extra investering van €28 miljoen. Dat geld biedt gemeentes met gezinshuizen en instellingen ruimte om deze jongeren als nieuwe inwoners te adopteren en te werken aan hun bestaansherstel, in plaats van ze door te schuiven naar een volgend loket.

Voor € 67 miljoen per jaar, nog geen tiende van het onbenutte geld, kunnen we voogdijkinderen de extra zorg te bieden die ze nodig hebben. Het extra geld is tegelijk een positief signaal richting pleegouders en andere verzorgers: u doet belangrijk werk, en wij als samenleving stellen u in staat om voogdijkinderen de toekomst te bieden die zij verdienen.

Verantwoordelijkheid nemen
Als we €67 miljoen van de €1,2 miljard niet bestede (jeugd)zorggelden aanwenden voor voogdijkinderen, houden gemeenten nog een forse buffer over om komende bezuinigingen te dekken. Maar de bottom line is dat we als samenleving onze verantwoordelijkheid nemen en een einde maken aan het gesol met kwetsbare kinderen, die onze steun en zorg absoluut niet kunnen missen.