In alle betogen over de transitie Jeugdzorg lijkt het perspectief voor de betreffende kinderen en jongeren ondergeschikt en niet scherp in beeld.Het doel van de transitie wordt in het spoorboekje transitie Jeugdzorg omschreven als: “Om de grote druk op gespecialiseerde zorg terug te dringen en de verkokerde manier van werken binnen jeugdhulp aan te pakken, kiest het kabinet voor een stelselwijziging. De jeugdhulp gaat over naar gemeenten”. Het gaat dus om een systeem-/stelselwijziging.

Ik heb me de laatste tijd vaak afgevraagd hoe zo’n stelselwijziging optimaal ingezet kan worden. Nu kijken alle actoren naar de “verkokerde manier van werken”. Het achterliggende jaar stond bol van de financiële analyses, lobby’s van belanghebbenden, zorgen over de haalbaarheid, ontwikkeling van modelovereenkomsten, opstellen van transitie arrangementen, inkooptafels etc. Gaat dat echt leiden tot een gewenste stelselwijziging? Of sleutelen we wat aan knoppen, zetten een andere operator aan het werk en blijft de jeugdzorg een in zichzelf gekeerd beleidsdomein?

Zolang ik de jeugdzorg ken is het karakter hoofdzakelijk procesgestuurd met extrinsieke kwaliteitsindicatoren. Met andere woorden, het is vooraf duidelijk hoe je moet lopen en wat als goed en minder goed beoordeeld wordt. Dat is mijns insziens niet optimaal, maar suboptimaal. Want wordt die jongere er nou beter van?

Ik denk dat het beter kan door de processturing dichter bij de jongere te plaatsen; een processturing met intrinsieke indicatoren. Hoe?
Door het cliëntsysteem meer invloed te geven; door ombuiging van probleemoriëntatie naar ontwikkeloriëntatie (geen hulpverleningsplannen maar toekomstplannen); door een investeringscultuur en ondernemerschap.

Ondernemerschap kenmerkt zich o.a. door een houding van zelfstandigheid, durf, initiatief en creativiteit. Dat vergt iets anders van de huidige inregeling van de transitie. Hoe kunnen we gedreven de levensloop van kinderen en jongeren ondersteunen? Door ons te richten op de intrinsieke motieven. Voor gemeentes geldt hetzelfde als voor de betreffende hulpverlener: sluit aan bij wat er is (cliëntsysteem) en toon zelfstandigheid, durf, initiatief en creativiteit.