In de vakantie (ook bij ons veel te druilerig) keek ik met mijn vrouw naar de film ‘Gandhi’. In die film doet zich een scéne voor, waarin alles wordt uitgedrukt waar gezinshuizen voor staan.

“Op dit moment in de film is er een burgeroorlog uitgebroken tussen de Hindoes en de Moslims. Gandhi wil dat dit geweld stopt en hij probeert dit bij de bevolking te bewerkstelligen door zelf in hongerstaking te gaan. Terwijl Gandhi al stervende is verschijnt er een groep Hindoe strijders bij zijn bed, zij overtuigen hem ervan dat zij hun wapens zullen neergooien. Een van deze Hindoes gooit in wanhoop een stuk brood op het bed van Gandhi. De man zegt dat hij toch wel naar de hel zal gaan, maar niet de dood van Gandhi op zijn geweten wil hebben. Gandhi vraagt hem waarom hij denkt naar de hel te gaan, het is immers God die in deze zaken beschikt. De man vertelt dat hij een kind heeft gedood. En dat hij dit heeft gedaan omdat de moslims zijn kleine jongen hebben gedood. Gandhi zegt tegen de man dat hij een weg weet uit de hel. Hij zegt de man de straat op te gaan en een kind te zoeken. Een kind dat zijn ouders is kwijtgeraakt en ongeveer net zo oud is als zijn eigen zoon. En dat hij dit kind moet opnemen en opvoeden als zijn eigen kind. Maar dat hij zich er dan wel van moet verzekeren dat dit kind een Moslim is, en dat hij het kind dan ook zal opvoeden als een Moslim.”

Daar waar ‘het eigene’ het vreemde kan ontmoeten, kan ontwikkeling aangewakkerd worden.

Gezinshuizen willen authentieke vormen van samenleven zijn; eigentijdse leefgemeenschappen. Voor mijzelf impliceert dit dat je moet werken aan bewustwording, op het scherpst van de snede. Hiermee bedoel ik onder andere aanwezig zijn in het hier en nu, maar ook met bewustzijn aanwezig zijn op het snijvlak van het eigene en het niet- eigene. Dat ‘niet eigene’ als iets dat je vreemd is. Het gedrag, die gewoontes, die opvattingen en die achtergrond die als eerste allergie opwekken. Heb je het lef en het vermogen om je eigen veilige referentiekader te openen? Hierin ligt voor mijzelf een werkelijk ontmoeten, waarin ontwikkeling en groei mogelijk is. Daar waar ‘het eigene’ het vreemde kan ontmoeten, kan ontwikkeling aangewakkerd worden.